Geschiedenis Hallum

Er is veel over de geschiedenis van Hallum te vertellen. Over het reilen en zeilen in het vroegere nabijgelegen klooster Mariëngaarde tot over het bouwen van de internationaal bekende fabrieken en het nieuwste plan, Hallum Oer de Feart.

De onderstaande verhalen zijn geschreven door J. Meinsma.


Dorpsnaam.
Er zijn vele gissingen en het laatste woord is er nog niet over geschreven. Een ding staat vast: het eindigt op “um” en dus is het een heem (plaats)naam. Het is zoeken naar de betekenis van het woord Hal. Er heeft waarschijnlijk een zekere “Hal” hier gewoond. Ook is het woord “hal” van Keltische oorsprong, maar Kelten hebben hier nooit gewoond.
 

Vroegere bewoners.
De oudste bewoners waren veeboeren, die in een periode van lage zeespiegelstanden hun terpen opwierpen. Steeg de zeespiegel dan werden ze weer verhoogd. De laatste opgraving in de dorpsterp in 2007 heeft aanwijzingen gegeven over bewoning in de 3e eeuw na Chr. Ook de beschoeiing van een aanlegplaats voor boten in een slenk werd blootgelegd. In de 4e eeuw is Hallum verlaten. In ong. 425, toen er weer een daling was in de zeespiegel, werd de dorpsterp weer bewoond.


Kloostertijd.
Wij nemen een sprong in de tijd en komen uit bij een voor deze streek belangrijke periode, namelijk de kloostertijd (tussen 1100 en 1600). In 1163 stichtte pastoor Freerk hier zijn klooster Mariëngaarde op een kwelderwal/terp in de Hallumerhoek. Nu staat er een boerderij, al generaties lang bewoond door de familie Jippes. De kloosters brachten hier in eerste instantie rust en vrede. Dit werd in latere tijden wel anders. Het is dan ook de tijd van de eerste dijken. In het begin lage dijkjes van ong. 80/100 cm hoog; deze liepen van kwelderwal naar huisterp. De dijkjes of verhogingen lagen in de Hallumerhoek bij het begin van de Hoge Herenweg. Bijvoorbeeld de verhoging (het terpje) tegenover boerderij Pool, daarna via Doniastate naar de boerderij van de familie Hoogland. Er wordt wel eens verondersteld dat de Ljouwerterdyk ook een zeewering is geweest, maar bewijzen hiervoor zijn er niet.
 

Water in Hallum.
In de terpentijd was naar het oosten toe een uitgestrekt hoogveengebied. Dit kon tijdens overstromingen en hevige regelval veel water bergen. In de latere Middeleeuwen echter werd dit veen afgegraven (turf), waterberging was toen niet meer mogelijk.
Het riviertje de Ie was toen nog niet één rivier van Leeuwarden tot Dokkum, want tussen Burdaard en Bartlehiem (zeer waarschijnlijk hoogste gedeelte van het veen) was geen verbinding. Het noorden van onze gemeente voerde zijn overtollig water af via Jannum bij het zgn. Smidshuis in de Ie. Het zuiden van de gemeente waterde af via de Koefeart en de Hijumerfeart op de Ie. Mogelijk ook langs Aldeleie via de Leistersyl in de Middelzee.


Het trekschip.
Er waren meerdere trekschepen in de vaart.
Een trekschip van een snikke met in plaats van een mast een paal voor het trektouw. Er was een mogelijkheid om binnen te zitten; dit was echter een bedompte ruimte dankzij de rokende passagiers (kosten roef 35 ct, ruim 25 ct). Boven op de kajuit kon vracht meegenomen worden. Er moest gevaren worden met 2 personen. Eén roerganger/schipper en één paardenknecht (jager).
Bovendien moesten ze: "3 schepen hebben, steeds zindelijk onderhouden, voorzien van roeven met daarin behorende matrassen en drie sterke en geschikte paarden" aldus één artikel van de 36, welke zijn opgemaakt te Leeuwarden en Ferwert, resp. 9 april en 28 maart 1827 en nog eens getekend (geapprobeerd) door de Gedeputeerde Staten 28 februari 1828.


Trekschip en het belang van de Hallumervaart
Tegenover Langebuorren 31 (ligplaats trekschip) was op Langebuorren 22 het logement "De Valk". Hier konden de passagiers overnachten als ze in de winter over moeilijk begaanbare wegen naar Hallum kwamen om met het trekschip 's morgensvroeg te vertrekken naar Leeuwarden. Het Hallumer trekschip was namelijk het enige in onze gemeente en wijde omgeving dat een concessie verkregen had om passagiers te vervoeren (6 dagen in de week en 's winters op vrijdag zelfs 3 afvaarten: 5, 6 en 7 uur). De bezittingen (paarden, snikken en stalruimte) en de concessie waren in 6 aandelen verdeeld.  In 1868 was een aandeel nog f 6.000,00 waard, maar de tijden veranderden.

De eerste concurrent van het trekveer was de stoomboot Prins Hendrik; op 17 augustus 1869 was de eerste afvaart. Dit viel echter tegen. De stoommachine maakte in tegenstelling tot het trekschip teveel lawaai en de mensen waren er bang voor. Kort gezegd: ze waren er nog niet 'rijp' voor. In 1871 werd de dienst gestaakt.

De tweede aanslag op het trekschip was in 1874. Toen werd concessie verleend aan de trekschipper voor de stoomboot "De Reserve" (8 pk). Dit was ook geen succes. De passagiers gingen liever met het trekschip.

Op het eind van de 19e eeuw was het toch echt gebeurd met het trekschip. De trein was in opkomst, maar de eigenaren van het trekveer probeerden het nog een keer met een stoomboot, namelijk " De Lucifer". Schippers waren o.a.. Jouke Zijlstra, Sietse Borger en de machinist Postma. Ook dit hield niet lang meer stand, omdat de trein 'it lokaaltsje' in 1901 een te grote concurrent bleek. Met de trein binnen een half uur in Ljouwert, terwijl het trekschip er uren over deed, nl. ongeveer 2 1/2 uur (dit stond ook al in de voorschriften artikel 21: Zij zullen de reis telkens in 2 1/2 moeten doen, tenware zulks uit hoofde van ijsgang of storm ondoenlijk mogt worden bevonden). De stoomboot had de helft van de tijd (van het trekschip) nodig.
Jouke Zijlstra en later zijn zoon Rikele hielden de vrachtdienst met de "Aurora" nog vol tot aan de jaren 50/60 van de vorige eeuw.
Dan nog enkele data over het dempen van de korte vaart (nu Gedempte Haven). In de oorlog 40/45 was het eind van de korte vaart tot bakkerij Andele Hellema al niet meer bevaarbaar. Dit gedeelte is in 1948 gedempt tot aan de Mounebuorren en enkele jaren later het laatste stuk tot beschuitfabriek Van der Meulen. In 1959 is de haven verbreed en de bocht bij de brug verruimd.
De grond die daarbij vrij kwam is o.a. gebruikt om het laatste stuk van de gracht van de Offingaburg bij de Mennistenkerk te dempen.